Mijn eerste eenzame uitvaart

© stad Antwerpen
© stad Antwerpen

Niemand sterft voor zichzelf alleen…

Al vijf jaar schrijven dichters voor eenzaam gestorven mensen in Antwerpen een persoonlijk gedicht. Ze lezen dat voor bij de uitvaart. Het is een laatste groet aan mannen en vrouwen die helemaal alleen worden begraven of uitgestrooid. Zonder familie of vrienden. Een laatste teken van menselijkheid voor ze definitief tot stof of as vergaan.

Mijn dochter belde me: ‘Papa, je moet dat initiatief steunen’. Rond Allerheiligen stuurde ik coördinator Maarten Inghels een mailtje: Of ze in de poule nog een extra dichter konden gebruiken? Hij belde me meteen op. Ze hadden een ‘zwaar seizoen’ achter de rug en een extra kracht was meer dan welkom. Kon ik op dinsdag 12 november mijn eerste eenzame uitvaart komen doen? Ja, dat kon. Hij zou mij een paar gegevens over de overledene sturen: het weinige dat van hem bekend was.

Het was een grijzige dag. Het miezerde. Rond kwart over drie stond ik bij de ingang van het Schoonselhof te wachten. Onder een afdakje. Onwaarschijnlijk mooie plek, dat kerkhof. Hier kom ik tijdens de winter in de sneeuw zeker terug. Vogels floten in de rietkraag. Er kwam een luxueuze, goudkleurige begrafenisauto aanrijden. Daarin bleek ‘mijn’ overledene te liggen. Samen met Maarten en een ceremoniemeester liep ik achter die begrafenisauto aan. Een vreemd gevoel: de uitvaart van een wildvreemde man meemaken als zijn enige ‘kennis’. Ik kende hem niet en ik kende hem wel. Ik had al een gedicht over hem geschreven.

Hier komt het:

VAARWEL B.M.

Je woonde op een boogscheut van Permeke.
Maar in geen boek staat je verhaal te lezen.

Geen buur die zich je naam herinnert. Alleen een regel
in het Rijksregister bevestigt je bestaan.

Op de brug van Temse brak het water van je moeder.
Een ziekenbroeder sloot in Stuivenberg je ogen.

Daartussen: eindeloos veel wit, zoals tussen de regels
van een gedicht of zoals de toendra in de winter:

de sneeuw heeft alle sporen uitgewist.
Wat kan het stil zijn onder deze stolp van veren.

Wanneer het dooit, zal er van alles boven water komen:
een pas, een schoolrapport, een fiets misschien,

de foto van de vrouw die je verliet,
je zakmes, je zonnebril, je ziekenboekje.

Je kwam ter wereld op een zondag, bijna zomer.
Er was geen wolkje aan de lucht. Er stond een zachte bries.

In de rietkraag, bij de Scheldeoever, werd gezoend.
Uit een transistorradiootje klonk ‘We’ll meet again’ van Vera Lynn.

Veel zon en zoenen zaten er voor jou niet in.
En niemand hunkerde om je terug te zien.

Op 1 november ben je dan maar stil vertrokken.
Je moet nu al een heel eind opgeschoten zijn.

Misschien voel je je beter thuis daarginds. Misschien
dat je daar onverschrokken metselt aan een nieuw begin.

Toen ik het gedicht had voorgelezen, lieten vier mannen de kist zacht in de aarde zinken. Maarten knikte dat het goed was geweest. Ikzelf had er ook een goed gevoel bij. Alweer iemand was niet helemaal eenzaam moeten gaan. Er hadden mensen aan de rand van zijn graf gestaan en aan hem gedacht.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s